Gijs is zeven jaar en zit in groep vier. Volgende maand wordt hij acht, maar dat duurt nog heel erg lang. Het is woensdagmiddag en Gijs is alleen thuis. Op woensdagmiddag is de school altijd al om twaalf uur uit, maar de vader en moeder van Gijs komen pas laat thuis. Ze werken allebei in de grote stad Sluimerbons, waar zijn vader de hele dag op kantoor achter een computer zit te werken en zijn moeder in een dameshoedenwinkel de nieuwste modellen toont aan deftige mevrouwen en juffrouwen.
Gijs verveelt zich meestal op woensdagen. Er is niemand om mee te spelen. Hij heeft geen broertjes of zusjes en er is ook geen oppas. Hij zit helemaal alleen op zijn kamer en tuurt naar buiten door het raam. De lucht is grijs. Het begint herfst te worden en de blaadjes aan de bomen worden al een beetje rood en bruin. Omdat het zo’n vies weer is, wil Gijs het liefste binnen blijven, maar ineens herinnert hij zich dat hij vanochtend samen met zijn moeder de was buiten te drogen had gehangen. Nu begint het zachtjes te motregenen en Gijs rent op blote voeten de trap af en de tuin in. Snel graait en snaait hij alle was van lijn. Twee spijkerbroeken, drie handdoeken, een overhemd en heel veel onderbroeken. ‘Hè, wat gek,’ denkt Gijs, ‘Waar zijn alle sokken gebleven?’ Gijs zou zweren dat hij vanochtend een heleboel sokken had opgehangen. Waar zijn die allemaal gebleven? De wasknijpers zitten nog wel aan de lijn, maar van de sokken ontbreekt elk spoor. Gijs kijkt op de grond om zich heen. Niets te zien. Ze kunnen er toch niet zomaar vanaf zijn gewaaid. Met de hele stapel was in zijn handen begint Gijs voetje voor voetje achtruit de tuin in te lopen, terwijl zijn ogen speuren naar de sokken.
Het natte gras voelt plakkerig en glibberig aan voor Gijs’ blote voeten. Als hij met zijn rug naar de hoge heg in de tuin staat, stapt Gijs op een scherp steentje in het gras en hij springt snel op zijn andere voet, waardoor hij pardoes zijn evenwicht verliest en achterover kukelt. Met een harde knal komt Gijs met zijn hoofd op de grond terecht, terwijl de stapel was in de rondte vliegt.
Heel even blijft Gijs op de grond liggen, maar plotseling hoort hij vanuit de heg een knorrend geluid komen. Hij krabbelt overeind en tuurt de donkere heg in. Het lijkt net alsof er iets in de heg beweegt, maar een poes of hond kan het niet zijn. Daarvoor is het veel te groot. Ineens ziet Gijs op een tak midden in de heg een sok hangen. Hij strekt zijn arm zo ver als hij kan de heg in, maar kan er net niet bij. Nog iets dichterbij staan. Nog iets verder uitstrekken. Zijn vingertoppen raken de sok net aan, maar kunnen ‘m nog niet grijpen. Dan voelt Gijs plots de heg heftig schudden en hoort hem brommen. De scherpe takken en bladeren schuren langs zijn arm en maken een paar sneeën en schrammen. Snel trekt Gijs zijn arm terug en ziet bloed uit de open sneeën komen. Hij kijkt de heg in, maar de sok is ineens verdwenen. Geschrokken raapt Gijs alle was van de grond op en rent terug naar binnen. Vlug doet hij de buitendeur op slot en rent naar zijn kamer, waar hij onder zijn dekbed kruipt en wacht.
Die avond komt Gijs’ moeder als eerst thuis. Ze schrikt een beetje als ze de stapel ‘schone’ was ziet, want hij zit onder de gras- en bloedvlekken.
‘Gijs!’ roept ze onderaan de trap. ‘Ben je boven?’
Geen antwoord. Ze besluit voor de zekerheid om toch maar even boven te controleren en ze loopt de trap op. Als ze de kamerdeur van Gijs opendoet, moet ze eerst schrikken, maar daarna begint ze te lachen. Gijs zich helemaal in zijn dekbed gewikkeld op z’n bed en kijkt angstig om zich heen.
‘Wat is er allemaal aan de hand?’ vraagt Gijs’ moeder terwijl ze naast hem op het bed gaat zitten. Gijs kijkt eerst z’n moeder lang aan, maar begint daarna met z’n verhaal.
‘Er woont een monster in onze tuin. Hij eet alle sokken op en hij heeft mij bijna ook opgegeten! Gelukkig kon ik nog net ontsnappen, maar ik heb me wel lelijk bezeerd.’ Gijs ontwikkeld een arm vanuit zijn dekbed en laat de schrammen zien.
‘Och och, arme Gijs,’ zegt z’n moeder met een glimlach. ‘Een monster in onze tuin? Klinkt gevaarlijk zeg. Ik zal extra voorzichtig zijn als ik de was ophang.’
‘Je gelooft me niet!’ roept Gijs verontwaardigd. ‘Maar ik verzin het niet, het is echt waar, ga maar kijken buiten. Hij woont in de heg.’
Gijs’ moeder staat op en geeft haar zoon een kus op zijn voorhoofd. ‘Goed, ik ga wel even kijken. Durf je mee, of blijf je liever hier in bed?’
Gijs twijfelt even, maar stapt dan toch ook uit bed en volgt zijn moeder de trap af. Vlak voordat ze de tuin inlopen, krijgt Gijs de bibbers en pakt een grote steelpan uit de keuken die hij omgekeerd op zijn hoofd zet als helm. Uit de garage grijpt hij een honkbalknuppel die hij stevig vasthoudt boven zijn hoofd. Zo loopt Gijs achter zijn moeder de tuin in, richting de heg.
Het is donker buiten en het miezert nog steeds. Wanneer ze vlak voor de heg staan, tuurt Gijs’ moeder naar binnen, terwijl Gijs zich veilig verschuilt achter zijn moeder, met de knuppel in de aanslag.
‘Nou, waar is dat monster dan?’ vraagt Gijs’ moeder als ze heel de heg heeft geïnspecteerd.
‘Hij is lastig te zien, want het is een hegmonster,’ antwoordt Gijs.
‘Een hegmonster? Wat betekent dat nu weer?’ vraagt zijn moeder, die nu wel een beetje geïrriteerd begint te raken. Het is al laat en ze moet nog met koken beginnen.
‘Een hegmonster bestaat uit takken en bladeren, dus hij is vrijwel onzichtbaar in een heg,’ legt Gijs uit. Soms snapt hij niet dat volwassen mensen zo dom kunnen zijn.
‘Okee,’ zegt Gijs’ moeder, ‘het is dus een onzichtbaar monster in de heg. Nou, weet je wat? Ik ga nu beginnen met koken, voordat we onzichtbaar eten op ons bord hebben.’ Met grote passen keert Gijs’ moeder terug naar binnen. Gijs blijft voor de heg staan en kijkt teleurgesteld naar de takken en bladeren. Stomme heg, hij had het zich toch niet ingebeeld? Hij haalt met zijn honkbalknuppel uit en geeft een harde mep tegen de heg.
‘AU!’ klinkt een diepe bladerige stem. ‘Dat doet pijn hoor!’ zegt de stem.
Gijs laat verschrikt de knuppel uit zijn handen vallen en doet twee stappen achteruit. Snel kijkt hij om naar zijn huis. Hij kan door het keukenraam zijn moeder zien die net begonnen is om de worteltjes te snijden. Ze heeft niets gehoord en gaar rustig verder met koken. Even twijfelt Gijs wat hij zal gaan doen. In plaats van naar binnen te rennen, zet Gijs weer twee stappen vooruit, zodat hij vlakbij de heg staat.
‘Bent u het hegmonster?’ vraagt hij zachtjes. Het blijft eventjes stil.
‘Ik heet Otto,’ zegt de bladerige stem. ‘Otto het Hegmonster.’
Verbijsterd staat Gijs aan de grond genageld. ‘Otto het Hegmonster,’ mompelt hij tegen zichzelf. ‘Ik ben Gijs,’ zegt hij ten slotte.
‘Aangenaam,’ antwoordt Otto. ‘Ik wilde nog mijn excuses aanbieden voor vanmiddag, toen ik je zo lelijk kraste. Het ging per ongeluk, zie je. Ik zag die heerlijke sok hangen en kon ‘m niet weerstaan. In mijn gulzigheid ben ik soms wat onvoorzichtig. Heb je erg zeer?’
Gijs stroopt zijn mouw op en laat de schrammen aan Otto zien. ‘Het valt wel mee, het is maar een klein schrammetje,’ zegt Gijs stoer. Hij is nu wel heel nieuwsgierig geworden. ‘Zeg eens, eet je ook nog iets anders dan sokken?’
‘Soms eet ik een klein musje of muisje op, maar meestal omdat ze dan over mij heen kruipen en dat kietelt zo. Het allerliefste heb ik vieze sokken, maar die schone van de waslijn waren ook best lekker, hoor.’
Gijs kijkt omlaag naar zijn eigen blote voeten. ‘Wat als ik nu sokken aan had gehad?’ denkt Gijs, maar hij durft het niet hardop te vragen, omdat hij bang is dat Otto zou zeggen dat hij hem zou opeten met sokken en al.
‘Gijs, kom je mee naar binnen?’ Gijs draait zich om en ziet zijn vader het tuinpad oplopen. Eindelijk is hij thuis van zijn werk! Gijs denkt er even aan om hem te vertellen over Otto het Hegmonster, maar waarschijnlijk zou hij hem toch niet geloven. Zijn moeder kon Otto ook al niet zien. Gijs besluit om het voorlopig maar even geheim te houden.
‘Wat doe je daar toch bij de heg?’ vraagt zijn vader. ‘Kom mee naar binnen. Straks word je nog verkouden, met blote voeten op het natte gras.’ Gijs fluistert zijn afscheid naar Otto, draait zich om, raapt de honkbalknuppel op en rent over het gras zijn vader achterna naar binnen toe.
Die nacht droomt Gijs over Otto het Hegmonster. Hij loopt door een gigantisch doolhof, gemaakt van hoge heggen. Op het pad ligt een spoor van vieze sokken, maar af en toe ontbreekt er eentje. Gijs raakt hopeloos verdwaalt en ziet ineens in de heg zijn vader en moeder vast zitten, helemaal vervlochten met de takken en bladeren. Ze roepen om hulp, maar hun stemmen klinken al behoorlijk bladerig, net als die van Otto. Gijs probeert ze te bevrijden, maar kan niet tegen te kracht van de takken op. Dan hoort hij een luid gerommel zijn kant opkomen. Hij kijkt op en ziet Otto op hem afstormen. Hij heeft zijn sokken nog aan! Snel uitdoen, maar daar is geen tijd voor. Dan maar wegrennen, dieper het doolhof in. Links, rechts en weer links. Gijs hoort Otto nog steeds achter hem aankomen. Plotseling struikelt hij en tuimelt voorover totdat hij met een smak op de grond terecht komt. Hij was achter een honkbalknuppel blijven haken. Otto is nu vlak bij hem. ‘Heerlijke vieze sokken!’ roept het Hegmonster watertandend.
‘Nee! Je mag mij niet opeten, Otto!’ schreeuwt Gijs. ‘Otto, NEE!’
Bezweet schrikt Gijs wakker overeind. Hij kijkt op zijn klok. Half drie ‘s nachts. Hij slaat het dekbed weg en kruipt uit bed. Uit zijn kast haalt hij een schone pyjama. Eenmaal verkleed loopt Gijs naar zijn raam en kijkt door de duisternis de tuin in. De heg staat er vredig bij, maar hij weet dat er binnenin een groot en gevaarlijk monster woont. Hij moet zijn ouders waarschuwen, maar waarschijnlijk geloven ze hem toch niet. Zijn moeder klonk gistermiddag niet heel overtuigd. Gijs kent niet één volwassene in Brabbeldam die hem zou geloven of die dapper genoeg zou zijn om het op te nemen tegen een hegmonster. Hij wrijft langzaam over de schrammen op zijn arm. Op dat moment neemt Gijs een baldadige beslissing: hij zal zelf ervoor moeten zorgen dat Otto het Hegmonster wordt vernietigd.
De volgende ochtend belt Gijs stiekem een hoveniersbedrijf uit Sluimerbons om een afspraak te maken.
‘En u zou vanmiddag al langs kunnen komen?’ vraagt Gijs. ‘Om twaalf uur al? Dat zou uitstekend zijn! Het gaat met name om onze heg, die moet nodig gesnoeid worden. Het liefst zelf helemaal weg gehaald, want hij blokkeert eigenlijk ons uitzicht,’ liegt Gijs. Gijs legt de hoorn om de haak. Met een tevreden gevoel loopt Gijs naar school. Als hij die middag thuiskomt, is de tuinman misschien al wel klaar met zijn werk en is de hele heg met de grond gelijk gemaakt. Geen Otto meer, geen problemen meer.
Op school gaat de tijd heel erg langzaam. Alle lessen lijken extra lang te duren. Gijs kan zich helemaal niet concentreren op de rekensommetjes. Hij moet alleen maar denken aan hoe het de tuinman vergaat. Als om drie uur eindelijk de bel gaat, rent Gijs naar huis. Op de stoep staat een wit autobusje geparkeerd. Met zwarte letters staat er Harry’s Hoveniersbedrijf op geschilderd. Naast de zwarte letters staat het portret geschilderd van Harry de tuinman, een lieve man met een grote snor en een dikke bril. Gijs is verbaasd, hij had verwacht dat de tuinman wel klaar zou zijn en terug naar Sluimerbons zou zijn gereden. Waarschijnlijk was het allemaal iets meer werk dan verwacht en is de tuinman bijna klaar. Om zich heen kijkend loopt Gijs de tuin in, maar hij ziet geen spoor van de tuinman. Dan valt zijn oog op de heg en Gijs blijft even verbaasd staan. De heg staat er nog, vrijwel net zo groot als in de ochtend. Op het gras ervoor liggen een paar kleine takjes en een heggenschaar. Waar is Harry? Voetje voor voetje nadert Gijs de heg. Wat ligt er onder die takjes? Gijs kan het niet goed zien en komt nog een beetje dichterbij. Dan ineens herkent Gijs de dikke bril van Harry en staat stokstijf stil vlak voor de heg. ‘Meneer Harry, waar bent u?’ vraagt Gijs hardop. Er komt geen antwoord. De heg ritselt met zijn blaadjes. Gijs durft zijn ogen niet van de heg af te houden. Met bibberende stem vraagt hij: ‘Otto, ben je daar?’ De takken van de heg beginnen nu hevig te schudden.
‘Stoute jongen!’ schreeuwt de diepe bladerige stem van Otto het Hegmonster ineens. ‘Er was hier een tuinman! Hij wilde mij kapot knippen!’
‘Een tuinman? Welke tuinman? Waar heb je het over?’ stottert Gijs.
‘Er kwam een paar uur geleden een dikke man in een blauwe overall met een grote snor een een scherpe heggenschaar. Hij begon zomaar takjes van mij af te knippen.’
‘Oh… echt waar?’ probeert Gijs heel verbaasd te zeggen. ‘Ennuh… waar is die man nu dan?’
‘Die man is weg. Je zal hem nooit meer zien,’ zegt Otto boos.
‘Je hebt hem toch niet opgegeten, Otto?’ roept Gijs bang en boos tegelijkertijd.
‘Natuurlijk heb ik hem opgegeten!’ roept Otto. ‘Wat moest ik anders? Mijzelf klein laten knippen?’
‘Nee, nee, natuurlijk niet, Otto… dat zou heel vervelend zijn,’ stamelt Gijs. ‘Maar, als je die tuinman hebt opgegeten, waarom ben je nu dan nog zo boos?’
‘Deze tuinman,’ bromt Otto, ‘probeerde zijn hachje te redden. Vlak voordat ik hem verslond, vertelde hij me dat hij was gebeld door een klein jongetje. Dit jongetje had hem gevraagd om te heg te snoeien.’
‘Een klein jongetje?’ vraagt Gijs zenuwachtig. ‘Otto, je denkt toch niet dat ik… dat ik... dat ik dat heb gedaan…?’
Terwijl Gijs praat, loopt hij heel voorzichtig kleine stapjes naar achteren.
‘Otto, je moet echt niet denken dat ik de tuinman heb gebeld. Ik ben je vriend, toch?’
Er klinkt een wild geritsel en geschud binnenin de heg. Twee takken schieten naar buiten en grijpen de enkels van Gijs. Hij valt achterover op de grond en grijpt zich vast aan het gras. De takken beginnen Gijs naar de heg toe te trekken.
‘NEE OTTO! NEE, JE MOET MIJ NIET OPETEN,’ schreeuwt Gijs uit paniek. Zijn handen trekken het gras telkens los terwijl hij langzaam door de heg wordt binnen gehengeld. Eerst verdwijnen zijn voeten, dan zijn benen, en dan de rest.
‘OTTO, HET SPIJT ME!,’ schreeuwt Gijs, maar het geluid wordt door de dikke bladeren van de heg gesmoord. De takken van de heg schudden nog eventjes hevig heen en weer en worden daarna heel rustig en stil.
Die avond komen de vader en moeder van Gijs thuis. Verbaasd kijken ze naar het witte busje van het hoveniersbedrijf dat voor hun huis op de stoep staat geparkeerd. Het zal vast voor de tuin van de buren zijn, denken ze allebei. Zodra ze binnen zijn, beginnen ze te koken. Als het eten klaar is, roepen ze Gijs, maar hij is niet boven op zijn kamer. Ze bellen naar zijn vriendjes op, maar ook daar is Gijs niet aan het spelen. Gijs is nergens te bekennen. Zijn vader en moeder snappen er helemaal niets van. Ongerust doorzoeken ze het hele huis en de tuin. Plotseling stapt vader op iets hard dat breekt. Hij kijkt naar de grond en ziet een gebroken bril in het gras liggen. Hij pakt de bril op en kijkt er verbaasd naar. Dan begint ineens de heg achter hem zachtjes heen en weer te schudden. Vader draait zich om naar de heg toe.
‘Gijs?’ vraagt hij. ‘Ben je daar?’

Geen opmerkingen:
Een reactie posten